De of het huur?

Het juiste lidwoord is:

de huur

  • Meervoud: de huren
  • Verkleinwoord: het huurtje
Betekenis 1. (juridisch) het tijdelijk gebruik van goederen of diensten tegen betaling 2. geldbedrag waarvoor men huurt

Zo gebruik je huur

Met lidwoordde huur
Dit of dezedeze huur
Dat of diedie huur
Ons of onzeonze huur
Jouwjouw huur
Elk of elkeelke huur
Welk of welkewelke huur?
Met bijvoeglijk naamwoord (bijv. groot)een grote huur, de grote huur
Meervoudde huren, deze huren

Voorbeeldzinnen met huur

  • Mijn huur is omhooggegaan.
  • Schaf de huur af.
  • Weg met de huur.

Betekenis, meervoud, verkleinwoord, uitspraak en vertalingen: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Voorbeeldzinnen: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).