De of het afspraak?

Het juiste lidwoord is:

de afspraak

  • Meervoud: de afspraken
  • Verkleinwoord: het afspraakje
Betekenis 1. een met elkaar afgesproken belofte 2. een overeenkomst om elkaar te ontmoeten

Zo gebruik je afspraak

Met lidwoordde afspraak
Dit of dezedeze afspraak
Dat of diedie afspraak
Ons of onzeonze afspraak
Jouwjouw afspraak
Elk of elkeelke afspraak
Welk of welkewelke afspraak?
Met bijvoeglijk naamwoord (bijv. groot)een grote afspraak, de grote afspraak
Meervoudde afspraken, deze afspraken

Voorbeeldzinnen met afspraak

  • Hebt u een afspraak?
  • Hebben jullie een afspraak?
  • Heeft u een afspraak?

Woorden die eindigen op afspraak

controleafspraak | privéafspraak | vervolgafspraak | belastingafspraak | lunchafspraak | werkafspraak | werkgelegenheidsafspraak | samenwerkingsafspraak | prijsafspraak | doktersafspraak | tandartsafspraak | eetafspraak | bouwafspraak

Bij samenstellingen bepaalt het laatste deel het lidwoord. Bekijk de regel

Woorden die beginnen met afspraak

afspraakbevestiging | afspraakje

Betekenis, meervoud, verkleinwoord, uitspraak en vertalingen: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Voorbeeldzinnen: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).