De of het deksel?

Het juiste lidwoord is:

de / het deksel

Allebei goed: Je mag zowel de deksel als het deksel zeggen.

  • Meervoud: de deksels
  • Verkleinwoord: het dekseltje
Regel Woorden op -sel: meestal het. Bekijk de regel
Betekenis een voorwerp om een hol open lichaam mee af te dekken

Zo gebruik je deksel

Met lidwoordde / het deksel
Dit of dezedeze / dit deksel
Dat of diedie / dat deksel
Ons of onzeonze / ons deksel
Jouwjouw deksel
Elk of elkeelke / elk deksel
Welk of welkewelke / welk deksel?
Met bijvoeglijk naamwoord (bijv. groot)een grote / een groot deksel, de grote / het grote deksel
Meervoudde deksels, deze deksels

Voorbeeldzinnen met deksel

  • Doe het deksel omlaag.
  • Ik krijg het deksel er niet af.
  • Het deksel wordt op de pot geschroefd.

Woorden die eindigen op deksel

hoofddeksel | kofferdeksel | kroningsdeksel | mangatdeksel | afgietdeksel | putdeksel

Bij samenstellingen bepaalt het laatste deel het lidwoord. Bekijk de regel

Woorden die beginnen met deksel

dekseldoos

Betekenis, meervoud, verkleinwoord, uitspraak en vertalingen: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Voorbeeldzinnen: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).