De of het huurboer?

Het juiste lidwoord is:

de huurboer

  • Meervoud: de huurboeren
  • Verkleinwoord: het huurboertje
Betekenis (verouderd) agrariër die land verbouwt dat niet in zijn eigendom is en waarvoor hij pacht moet betalen

Zo gebruik je huurboer

Met lidwoordde huurboer
Dit of dezedeze huurboer
Dat of diedie huurboer
Ons of onzeonze huurboer
Jouwjouw huurboer
Elk of elkeelke huurboer
Welk of welkewelke huurboer?
Met bijvoeglijk naamwoord (bijv. groot)een grote huurboer, de grote huurboer
Meervoudde huurboeren, deze huurboeren

Voorbeeldzinnen met huurboer

  • In 1578 blijkt op Eernsma een huurboer te wonen (…).

Betekenis, meervoud, verkleinwoord, uitspraak en vertalingen: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Voorbeeldzinnen: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).