De of het vak?

Het juiste lidwoord is:

het vak

  • Meervoud: de vakken
  • Verkleinwoord: het vakje
Betekenis 1. (economie) beroep 2. ingedeeld stuk, bijv. schap, baanvak, supportersvak

Zo gebruik je vak

Met lidwoordhet vak
Dit of dezedit vak
Dat of diedat vak
Ons of onzeons vak
Jouwjouw vak
Elk of elkeelk vak
Welk of welkewelk vak?
Met bijvoeglijk naamwoord (bijv. groot)een groot vak, het grote vak
Meervoudde vakken, deze vakken

Voorbeeldzinnen met vak

  • Wat is een vak?
  • Welke vakken had je vandaag?
  • Ik ga zakken voor dit vak.

Betekenis, meervoud, verkleinwoord, uitspraak en vertalingen: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Voorbeeldzinnen: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).