De of het trouwgeld?

Het juiste lidwoord is:

het trouwgeld

  • Meervoud: de trouwgelden
  • Verkleinwoord: het trouwgeldje
Betekenis belasting die men moet betalen voordat men gaat trouwen

Zo gebruik je trouwgeld

Met lidwoordhet trouwgeld
Dit of dezedit trouwgeld
Dat of diedat trouwgeld
Ons of onzeons trouwgeld
Jouwjouw trouwgeld
Elk of elkeelk trouwgeld
Welk of welkewelk trouwgeld?
Met bijvoeglijk naamwoord (bijv. groot)een groot trouwgeld, het grote trouwgeld
Meervoudde trouwgelden, deze trouwgelden

Voorbeeldzinnen met trouwgeld

  • Om de oorlogskas te spekken, voerden de Staten van Zeeland op 24 september 1703 het trouwgeld in.
  • Het trouwgeld was in de 18e eeuw een soort belasting op het trouwen, en wanneer men in ondertrouw ging, moest men, naast aantonen dat men mocht trouwen, ook aantonen dat het trouwgeld was betaald …

Betekenis, meervoud, verkleinwoord, uitspraak en vertalingen: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Voorbeeldzinnen: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).