De of het slager?

Het juiste lidwoord is:

de slager

  • Meervoud: de slagers
  • Verkleinwoord: het slagertje
Betekenis 1. (beroep) een verkoper van vlees 2. een wreed mens

Zo gebruik je slager

Met lidwoordde slager
Dit of dezedeze slager
Dat of diedie slager
Ons of onzeonze slager
Jouwjouw slager
Elk of elkeelke slager
Welk of welkewelke slager?
Met bijvoeglijk naamwoord (bijv. groot)een grote slager, de grote slager
Meervoudde slagers, deze slagers

Voorbeeldzinnen met slager

  • Tom is een slager.
  • Hij is een slager.
  • Jullie zijn slagers, nietwaar?

Woorden die eindigen op slager

aslager | doodslager | afslager | spekslager | blikslager | trommelslager | tromslager | hondenslager | koperslager | keurslager | dorpsslager | touwslager

Bij samenstellingen bepaalt het laatste deel het lidwoord. Bekijk de regel

Woorden die beginnen met slager

slagerij | slagersjas | slagersjongen | slagersknecht | slagersmes | slagersvakschool | slagersvrouw

Betekenis, meervoud, verkleinwoord, uitspraak en vertalingen: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Voorbeeldzinnen: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).