De of het preker?

Het juiste lidwoord is:

de preker

  • Meervoud: de prekers
  • Verkleinwoord: het prekertje
Betekenis iemand die preekt

Zo gebruik je preker

Met lidwoordde preker
Dit of dezedeze preker
Dat of diedie preker
Ons of onzeonze preker
Jouwjouw preker
Elk of elkeelke preker
Welk of welkewelke preker?
Met bijvoeglijk naamwoord (bijv. groot)een grote preker, de grote preker
Meervoudde prekers, deze prekers

Woorden die eindigen op preker

zedenpreker | spreker | kwaadspreker | luidspreker | bespreker | buikspreker | moedertaalspreker | bijna-moedertaalspreker | aanspreker | inspreker | grootspreker | gastspreker

Bij samenstellingen bepaalt het laatste deel het lidwoord. Bekijk de regel

Betekenis, meervoud, verkleinwoord, uitspraak en vertalingen: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Voorbeeldzinnen: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).