De of het bijna-moedertaalspreker?

Het juiste lidwoord is:

de bijna-moedertaalspreker

  • Meervoud: de bijna-moedertaalsprekers
Betekenis (taalkunde) persoon die een vreemde taal bijna zo goed beheerst als een persoon die is opgegroeid met deze taal

Zo gebruik je bijna-moedertaalspreker

Met lidwoordde bijna-moedertaalspreker
Dit of dezedeze bijna-moedertaalspreker
Dat of diedie bijna-moedertaalspreker
Ons of onzeonze bijna-moedertaalspreker
Jouwjouw bijna-moedertaalspreker
Elk of elkeelke bijna-moedertaalspreker
Welk of welkewelke bijna-moedertaalspreker?
Met bijvoeglijk naamwoord (bijv. groot)een grote bijna-moedertaalspreker, de grote bijna-moedertaalspreker
Meervoudde bijna-moedertaalsprekers, deze bijna-moedertaalsprekers

Betekenis, meervoud, verkleinwoord, uitspraak en vertalingen: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Voorbeeldzinnen: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).