De of het kroon?

Het juiste lidwoord is:

de kroon

  • Meervoud: de kronen
  • Verkleinwoord: het kroontje
Betekenis 1. (hoofddeksel, adel) hoofddeksel dat door een vorst gedragen wordt 2. (figuurlijk, adel) metafoor voor de “vorst”

Zo gebruik je kroon

Met lidwoordde kroon
Dit of dezedeze kroon
Dat of diedie kroon
Ons of onzeonze kroon
Jouwjouw kroon
Elk of elkeelke kroon
Welk of welkewelke kroon?
Met bijvoeglijk naamwoord (bijv. groot)een grote kroon, de grote kroon
Meervoudde kronen, deze kronen

Voorbeeldzinnen met kroon

  • Ik zie een kroon.
  • Ik zie de kroon.
  • De koning draagt altijd een kroon.

Betekenis, meervoud, verkleinwoord, uitspraak en vertalingen: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Voorbeeldzinnen: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).