De of het griep?

Het juiste lidwoord is:

de griep

  • Meervoud: de griepen
  • Verkleinwoord: het griepje
Betekenis 1. (medisch) een virusziekte die jaarlijks vele mensen ziek maakt en die voor ouderen gevaarlijk kan zijn 2. mestvork (-> greep)

Zo gebruik je griep

Met lidwoordde griep
Dit of dezedeze griep
Dat of diedie griep
Ons of onzeonze griep
Jouwjouw griep
Elk of elkeelke griep
Welk of welkewelke griep?
Met bijvoeglijk naamwoord (bijv. groot)een grote griep, de grote griep
Meervoudde griepen, deze griepen

Voorbeeldzinnen met griep

  • Dit kind heeft de griep.
  • Ik heb griep en keelpijn.
  • Ik heb griep en ik ben moe.

Woorden die eindigen op griep

coronagriep | buikgriep | vogelgriep | zomergriep | seizoensgriep

Bij samenstellingen bepaalt het laatste deel het lidwoord. Bekijk de regel

Woorden die beginnen met griep

griepaanval | griepepidemie | griepgeval | griepgolf | griepklacht | grieppandemie | grieppatiënt | griepprik | griepremmer | griepseizoen | griepvaccin | griepvaccinatie | griepverschijnsel | griepvirus | griepinfectie | griepinjectie

Betekenis, meervoud, verkleinwoord, uitspraak en vertalingen: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Voorbeeldzinnen: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).