De of het seizoensgriep?

Het juiste lidwoord is:

de seizoensgriep

  • Meervoud: de seizoensgriepen
  • Verkleinwoord: het seizoensgriepje
Betekenis jaarlijks (in de winter) terugkerende epidemie met het influenzavirus

Zo gebruik je seizoensgriep

Met lidwoordde seizoensgriep
Dit of dezedeze seizoensgriep
Dat of diedie seizoensgriep
Ons of onzeonze seizoensgriep
Jouwjouw seizoensgriep
Elk of elkeelke seizoensgriep
Welk of welkewelke seizoensgriep?
Met bijvoeglijk naamwoord (bijv. groot)een grote seizoensgriep, de grote seizoensgriep
Meervoudde seizoensgriepen, deze seizoensgriepen

Voorbeeldzinnen met seizoensgriep

  • Een team onderzoekers onder leiding van viroloog Ron Fouchier heeft het vogelgriepvirus genetisch zo aangepast dat het bij fretten net zo makkelijk overdraagbaar is via de lucht als seizoensgriep.
  • Ron Fouchier en zijn onderzoeksteam hebben het vogelgriepvirus genetisch zo aangepast dat het bij fretten even gemakkelijk overdraagbaar is via de lucht als seizoensgriep.

Betekenis, meervoud, verkleinwoord, uitspraak en vertalingen: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Voorbeeldzinnen: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).