De of het beroepsbeoefenaar?

Het juiste lidwoord is:

de beroepsbeoefenaar

  • Meervoud: de beroepsbeoefenaars / beroepsbeoefenaren
Betekenis iemand die voor de kostwinning een bepaald vak uitoefent

Zo gebruik je beroepsbeoefenaar

Met lidwoordde beroepsbeoefenaar
Dit of dezedeze beroepsbeoefenaar
Dat of diedie beroepsbeoefenaar
Ons of onzeonze beroepsbeoefenaar
Jouwjouw beroepsbeoefenaar
Elk of elkeelke beroepsbeoefenaar
Welk of welkewelke beroepsbeoefenaar?
Met bijvoeglijk naamwoord (bijv. groot)een grote beroepsbeoefenaar, de grote beroepsbeoefenaar
Meervoudde beroepsbeoefenaars, deze beroepsbeoefenaars

Voorbeeldzinnen met beroepsbeoefenaar

  • Het medisch beroepsgeheim bestaat uit de zwijgplicht en het verschoningsrecht.
  • De tuchtrechter kan maatregelen treffen tegen een individuele beroepsbeoefenaar.

Woorden die eindigen op beroepsbeoefenaar

vrijeberoepsbeoefenaar | vrijberoepsbeoefenaar

Bij samenstellingen bepaalt het laatste deel het lidwoord. Bekijk de regel

Betekenis, meervoud, verkleinwoord, uitspraak en vertalingen: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Voorbeeldzinnen: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).