De of het zonuur?

Het juiste lidwoord is:

het zonuur

  • Meervoud: de zonuren
Betekenis de tijdspanne van één uur dat de zon schijnt zonder bewolking

Zo gebruik je zonuur

Met lidwoordhet zonuur
Dit of dezedit zonuur
Dat of diedat zonuur
Ons of onzeons zonuur
Jouwjouw zonuur
Elk of elkeelk zonuur
Welk of welkewelk zonuur?
Met bijvoeglijk naamwoord (bijv. groot)een groot zonuur, het grote zonuur
Meervoudde zonuren, deze zonuren

Voorbeeldzinnen met zonuur

  • Het aantal zonuren is in Spanje een stuk groter dan in Nederland.
  • Sinds de start van de landelijke metingen is nog nooit zoveel uur zon geregistreerd in de maand maart als dit jaar.

Betekenis, meervoud, verkleinwoord, uitspraak en vertalingen: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Voorbeeldzinnen: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).