De of het volksduitser?

Het juiste lidwoord is:

de volksduitser

  • Meervoud: de volksduitsers
  • Verkleinwoord: het volksduitsertje
Betekenis (geschiedenis) term die na de Eerste Wereldoorlog en in de nazitijd gebruikt werd om Duitsers aan te duiden die als afzonderlijke volksgroep buiten Duitsland (Oostenrijk en Zwitserland) woonden

Zo gebruik je volksduitser

Met lidwoordde volksduitser
Dit of dezedeze volksduitser
Dat of diedie volksduitser
Ons of onzeonze volksduitser
Jouwjouw volksduitser
Elk of elkeelke volksduitser
Welk of welkewelke volksduitser?
Met bijvoeglijk naamwoord (bijv. groot)een grote volksduitser, de grote volksduitser
Meervoudde volksduitsers, deze volksduitsers

Voorbeeldzinnen met volksduitser

  • Uiteindelijk krijgen de Duitse krijgsgevangenen een eigen barak, maar de Luxemburgse geestelijken weigeren zich als volksduitser op te geven.

Betekenis, meervoud, verkleinwoord, uitspraak en vertalingen: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Voorbeeldzinnen: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).