De of het vakantiegast?

Het juiste lidwoord is:

de vakantiegast

  • Meervoud: de vakantiegasten
  • Verkleinwoord: het vakantiegastje
Betekenis persoon die ergens verblijft als toerist

Zo gebruik je vakantiegast

Met lidwoordde vakantiegast
Dit of dezedeze vakantiegast
Dat of diedie vakantiegast
Ons of onzeonze vakantiegast
Jouwjouw vakantiegast
Elk of elkeelke vakantiegast
Welk of welkewelke vakantiegast?
Met bijvoeglijk naamwoord (bijv. groot)een grote vakantiegast, de grote vakantiegast
Meervoudde vakantiegasten, deze vakantiegasten

Voorbeeldzinnen met vakantiegast

  • De gelukkigen die vandaag gewerkt hebben, keren rond 18.00 uur terug op de camping waar de Nederlandse vakantiegast in de minderheid lijkt.

Betekenis, meervoud, verkleinwoord, uitspraak en vertalingen: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Voorbeeldzinnen: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).