De of het thuisrijder?

Het juiste lidwoord is:

de thuisrijder

  • Meervoud: de thuisrijders
Betekenis 1. (sport) wielrenner die vlak bij zijn woon- of geboorteplaats fietst 2. (sport) motorrijder of autocoureur die voor publiek uit eigen land rijdt

Zo gebruik je thuisrijder

Met lidwoordde thuisrijder
Dit of dezedeze thuisrijder
Dat of diedie thuisrijder
Ons of onzeonze thuisrijder
Jouwjouw thuisrijder
Elk of elkeelke thuisrijder
Welk of welkewelke thuisrijder?
Met bijvoeglijk naamwoord (bijv. groot)een grote thuisrijder, de grote thuisrijder
Meervoudde thuisrijders, deze thuisrijders

Voorbeeldzinnen met thuisrijder

  • Aanvankelijk leek Alaphilippe de beste papieren te hebben, maar thuisrijder Barbero, die geboren is in Burgos, bleek de sterkste man van de dag.
  • Thuisrijder Jean-Pierre Drucker bleef in het bezit van de leiderstrui. De Luxemburger van BMC was woensdag de snelste in de proloog.

Betekenis, meervoud, verkleinwoord, uitspraak en vertalingen: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Voorbeeldzinnen: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).