De of het thuispubliek?

Het juiste lidwoord is:

het thuispubliek

  • Meervoud: de thuispublieken
Betekenis (sport) bezoekers van een sportwedstrijd die fan zijn van de thuisploeg

Zo gebruik je thuispubliek

Met lidwoordhet thuispubliek
Dit of dezedit thuispubliek
Dat of diedat thuispubliek
Ons of onzeons thuispubliek
Jouwjouw thuispubliek
Elk of elkeelk thuispubliek
Welk of welkewelk thuispubliek?
Met bijvoeglijk naamwoord (bijv. groot)een groot thuispubliek, het grote thuispubliek
Meervoudde thuispublieken, deze thuispublieken

Voorbeeldzinnen met thuispubliek

  • Kritisch gadegeslagen voor het thuispubliek dat bij tijd en wijle een fluitconcert aanhief om de ontevredenheid te uiten.
  • Met ons thuispubliek achter ons heb ik er vertrouwen in dat we dat kunnen", zei Van Nistelrooij over het duel.

Betekenis, meervoud, verkleinwoord, uitspraak en vertalingen: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Voorbeeldzinnen: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).