De of het oorlel?

Het juiste lidwoord is:

de oorlel

  • Meervoud: de oorlellen
  • Verkleinwoord: het oorlelletje
Betekenis (anatomie) het onderste deel van de oorschelp bestaande uit vetweefsel

Zo gebruik je oorlel

Met lidwoordde oorlel
Dit of dezedeze oorlel
Dat of diedie oorlel
Ons of onzeonze oorlel
Jouwjouw oorlel
Elk of elkeelke oorlel
Welk of welkewelke oorlel?
Met bijvoeglijk naamwoord (bijv. groot)een grote oorlel, de grote oorlel
Meervoudde oorlellen, deze oorlellen

Voorbeeldzinnen met oorlel

  • Hij zoog aan mijn oorlel.

Betekenis, meervoud, verkleinwoord, uitspraak en vertalingen: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Voorbeeldzinnen: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).