De of het kerstcyclus?

Het juiste lidwoord is:

de kerstcyclus

  • Meervoud: de kerstcycli / kerstcyclussen
Betekenis (kerst, religie) de eerste periode van het kerkelijk jaar vanaf de eerste zondag van de advent tot de vierde zondag na epifanie

Zo gebruik je kerstcyclus

Met lidwoordde kerstcyclus
Dit of dezedeze kerstcyclus
Dat of diedie kerstcyclus
Ons of onzeonze kerstcyclus
Jouwjouw kerstcyclus
Elk of elkeelke kerstcyclus
Welk of welkewelke kerstcyclus?
Met bijvoeglijk naamwoord (bijv. groot)een grote kerstcyclus, de grote kerstcyclus
Meervoudde kerstcycli, deze kerstcycli

Betekenis, meervoud, verkleinwoord, uitspraak en vertalingen: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Voorbeeldzinnen: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).