De of het hockeytitel?

Het juiste lidwoord is:

de hockeytitel

  • Meervoud: de hockeytitels
  • Verkleinwoord: het hockeytiteltje
Betekenis (sport) aanduiding van het team dat een competitie of een toernooi heeft gewonnen

Zo gebruik je hockeytitel

Met lidwoordde hockeytitel
Dit of dezedeze hockeytitel
Dat of diedie hockeytitel
Ons of onzeonze hockeytitel
Jouwjouw hockeytitel
Elk of elkeelke hockeytitel
Welk of welkewelke hockeytitel?
Met bijvoeglijk naamwoord (bijv. groot)een grote hockeytitel, de grote hockeytitel
Meervoudde hockeytitels, deze hockeytitels

Voorbeeldzinnen met hockeytitel

  • In Breda strijden zes landen om de hockeytitel.
  • Het eerste duel in de finale van de play-offs om de nationale hockeytitel tussen de mannen van Pinoké en Bloemendaal heeft geen winnaar opgeleverd. In Amstelveen eindigde het in 1-1.

Betekenis, meervoud, verkleinwoord, uitspraak en vertalingen: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Voorbeeldzinnen: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).