De of het hockeyer?

Het juiste lidwoord is:

de hockeyer

  • Meervoud: de hockeyers
  • Verkleinwoord: het hockeyertje
Betekenis (sport) iemand die hockeyt

Zo gebruik je hockeyer

Met lidwoordde hockeyer
Dit of dezedeze hockeyer
Dat of diedie hockeyer
Ons of onzeonze hockeyer
Jouwjouw hockeyer
Elk of elkeelke hockeyer
Welk of welkewelke hockeyer?
Met bijvoeglijk naamwoord (bijv. groot)een grote hockeyer, de grote hockeyer
Meervoudde hockeyers, deze hockeyers

Voorbeeldzinnen met hockeyer

  • Van Doren werd maandag op het jaarlijkse gala van de internationale hockeyfederatie FIH uitgeroepen tot zowel de beste hockeyer van het jaar als het grootste talent van het jaar.
  • Honderdduizenden hockeyers en amateursporters hoeven straks voor een op maat gemaakt mondbitje niet langer naar de tandarts.

Woorden die eindigen op hockeyer

ijshockeyer

Bij samenstellingen bepaalt het laatste deel het lidwoord. Bekijk de regel

Betekenis, meervoud, verkleinwoord, uitspraak en vertalingen: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Voorbeeldzinnen: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).