De of het foutparkeerder?

Het juiste lidwoord is:

de foutparkeerder

  • Meervoud: de foutparkeerders
Betekenis persoon die zijn auto op een plaats heeft gezet waarop dat verboden is

Zo gebruik je foutparkeerder

Met lidwoordde foutparkeerder
Dit of dezedeze foutparkeerder
Dat of diedie foutparkeerder
Ons of onzeonze foutparkeerder
Jouwjouw foutparkeerder
Elk of elkeelke foutparkeerder
Welk of welkewelke foutparkeerder?
Met bijvoeglijk naamwoord (bijv. groot)een grote foutparkeerder, de grote foutparkeerder
Meervoudde foutparkeerders, deze foutparkeerders

Voorbeeldzinnen met foutparkeerder

  • Een andere ouder vermoedde dat de auto was weggesleept en bracht de foutparkeerder naar het kantoor van de Parijse sleepdienst.
  • Een 61-jarige man heeft vanochtend in Someren een invalide man in elkaar geslagen toen die hem aansprak op zijn parkeergedrag. Daarna mishandelde de foutparkeerder ook een vrouw.

Betekenis, meervoud, verkleinwoord, uitspraak en vertalingen: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Voorbeeldzinnen: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).