De of het fietsplezier?

Het juiste lidwoord is:

het fietsplezier

Betekenis het genoegen dat men beleeft aan het fietsen

Zo gebruik je fietsplezier

Met lidwoordhet fietsplezier
Dit of dezedit fietsplezier
Dat of diedat fietsplezier
Ons of onzeons fietsplezier
Jouwjouw fietsplezier
Elk of elkeelk fietsplezier
Welk of welkewelk fietsplezier?
Met bijvoeglijk naamwoord (bijv. groot)een groot fietsplezier, het grote fietsplezier

Voorbeeldzinnen met fietsplezier

  • Met open vizier, steevast zonder zonnebril, rijdt de 23-jarige Hagenaar rond op de wegen. Als fietsplezier een gezicht zou hebben, dan zou het de blozende wangen van Ide Schelling zijn.
  • Ik ga zelf ook zeker van de fietsbrug gebruik maken en hoop dat alle Utrechters veel fietsplezier aan de nieuwe brug zullen gaan hebben."

Betekenis, meervoud, verkleinwoord, uitspraak en vertalingen: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Voorbeeldzinnen: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).