De of het fietsongeluk?

Het juiste lidwoord is:

het fietsongeluk

  • Meervoud: de fietsongelukken
  • Verkleinwoord: het fietsongelukje
Betekenis (verkeer) verkeersongeval waarbij een fietser is betrokken

Zo gebruik je fietsongeluk

Met lidwoordhet fietsongeluk
Dit of dezedit fietsongeluk
Dat of diedat fietsongeluk
Ons of onzeons fietsongeluk
Jouwjouw fietsongeluk
Elk of elkeelk fietsongeluk
Welk of welkewelk fietsongeluk?
Met bijvoeglijk naamwoord (bijv. groot)een groot fietsongeluk, het grote fietsongeluk
Meervoudde fietsongelukken, deze fietsongelukken

Voorbeeldzinnen met fietsongeluk

  • Dat moet veranderen, vindt minister Madlener van Infrastructuur, want elk jaar belanden veel mensen na een fietsongeluk op de spoedeisende hulp.

Betekenis, meervoud, verkleinwoord, uitspraak en vertalingen: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Voorbeeldzinnen: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).