De of het feestgeluid?

Het juiste lidwoord is:

het feestgeluid

  • Meervoud: de feestgeluiden
Betekenis het lawaai dat men tijdens een feest maakt

Zo gebruik je feestgeluid

Met lidwoordhet feestgeluid
Dit of dezedit feestgeluid
Dat of diedat feestgeluid
Ons of onzeons feestgeluid
Jouwjouw feestgeluid
Elk of elkeelk feestgeluid
Welk of welkewelk feestgeluid?
Met bijvoeglijk naamwoord (bijv. groot)een groot feestgeluid, het grote feestgeluid
Meervoudde feestgeluiden, deze feestgeluiden

Voorbeeldzinnen met feestgeluid

  • Burgemeester Knip besloot donderdag dat er na 15.00 uur in de stad geen sprake meer mocht zijn van feestgeluid. „Dat past niet bij wat er vandaag in Apeldoorn is gebeurd”, lichtte hij toe.
  • Yelle is aan de telefoon bijna niet te verstaan door al het feestgeluid op de achtergrond: hij is aanwezig bij de huldiging van de club in Sittard.

Betekenis, meervoud, verkleinwoord, uitspraak en vertalingen: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Voorbeeldzinnen: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).