De of het dakdeel?

Het juiste lidwoord is:

het dakdeel

  • Meervoud: de dakdelen
Betekenis (bouwkunde) gedeelte van een dakconstructie

Zo gebruik je dakdeel

Met lidwoordhet dakdeel
Dit of dezedit dakdeel
Dat of diedat dakdeel
Ons of onzeons dakdeel
Jouwjouw dakdeel
Elk of elkeelk dakdeel
Welk of welkewelk dakdeel?
Met bijvoeglijk naamwoord (bijv. groot)een groot dakdeel, het grote dakdeel
Meervoudde dakdelen, deze dakdelen

Voorbeeldzinnen met dakdeel

  • In sommige plaatsen, zoals Someren in Noord-Brabant, is van veel stallen en kassen geen dakdeel meer heel door de zware hagelbuien van vorige week.
  • Op de A8 ontstond een file nadat een glazen dakdeel van een touringcar was gewaaid.

Betekenis, meervoud, verkleinwoord, uitspraak en vertalingen: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Voorbeeldzinnen: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).