De of het bouwploeg?

Het juiste lidwoord is:

de bouwploeg

  • Meervoud: de bouwploegen
  • Verkleinwoord: het bouwploegje
Betekenis (bouwkunde) team bouwers

Zo gebruik je bouwploeg

Met lidwoordde bouwploeg
Dit of dezedeze bouwploeg
Dat of diedie bouwploeg
Ons of onzeonze bouwploeg
Jouwjouw bouwploeg
Elk of elkeelke bouwploeg
Welk of welkewelke bouwploeg?
Met bijvoeglijk naamwoord (bijv. groot)een grote bouwploeg, de grote bouwploeg
Meervoudde bouwploegen, deze bouwploegen

Voorbeeldzinnen met bouwploeg

  • Nadat de bouwploeg vertrokken was, stond ik sprakeloos op het spiegelende parket, terwijl Tonio met tot vliegtuigvleugels gespreide armen om me heen draafde, vrolijke lachkreten slakend.
  • Een vijftig man sterke bouwploeg had maanden gewerkt aan het verzamelen van de takken voor het grote paasvuur van 2000 kuub in Espelo, vertelt verslaggever Pauline Broekema.

Betekenis, meervoud, verkleinwoord, uitspraak en vertalingen: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Voorbeeldzinnen: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).