De of het boerendochter?

Het juiste lidwoord is:

de boerendochter

  • Meervoud: de boerendochters
  • Verkleinwoord: het boerendochtertje
Betekenis vrouw waarvan de ouders een boerenbedrijf hebben of hadden

Zo gebruik je boerendochter

Met lidwoordde boerendochter
Dit of dezedeze boerendochter
Dat of diedie boerendochter
Ons of onzeonze boerendochter
Jouwjouw boerendochter
Elk of elkeelke boerendochter
Welk of welkewelke boerendochter?
Met bijvoeglijk naamwoord (bijv. groot)een grote boerendochter, de grote boerendochter
Meervoudde boerendochters, deze boerendochters

Voorbeeldzinnen met boerendochter

  • De boerendochter voelt zich klaar voor een carrière in Washington. De stad zit vol met big spenders. Zullen we ze eens laten krijsen?
  • Minister Schouten, zelf een boerendochter, wil in haar Landbouwvisie een omslag naar kringlooplandbouw in 2030.

Betekenis, meervoud, verkleinwoord, uitspraak en vertalingen: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Voorbeeldzinnen: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).