De of het zakenpartner?

Het juiste lidwoord is:

de zakenpartner

  • Meervoud: de zakenpartners
  • Verkleinwoord: het zakenpartnertje
Betekenis iemand met wie men gezamenlijk zaken onderneemt

Zo gebruik je zakenpartner

Met lidwoordde zakenpartner
Dit of dezedeze zakenpartner
Dat of diedie zakenpartner
Ons of onzeonze zakenpartner
Jouwjouw zakenpartner
Elk of elkeelke zakenpartner
Welk of welkewelke zakenpartner?
Met bijvoeglijk naamwoord (bijv. groot)een grote zakenpartner, de grote zakenpartner
Meervoudde zakenpartners, deze zakenpartners

Voorbeeldzinnen met zakenpartner

  • Hij is mijn zakenpartner.

Betekenis, meervoud, verkleinwoord, uitspraak en vertalingen: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Voorbeeldzinnen: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).