De of het ambtsgenoot?

Het juiste lidwoord is:

de ambtsgenoot

  • Meervoud: de ambtsgenoten
Betekenis (beroep) iemand die eenzelfde functie met gezag bij de overheid of een kerkgenootschap vervult

Zo gebruik je ambtsgenoot

Met lidwoordde ambtsgenoot
Dit of dezedeze ambtsgenoot
Dat of diedie ambtsgenoot
Ons of onzeonze ambtsgenoot
Jouwjouw ambtsgenoot
Elk of elkeelke ambtsgenoot
Welk of welkewelke ambtsgenoot?
Met bijvoeglijk naamwoord (bijv. groot)een grote ambtsgenoot, de grote ambtsgenoot
Meervoudde ambtsgenoten, deze ambtsgenoten

Voorbeeldzinnen met ambtsgenoot

  • Stap maar uit de EU als het je niet bevalt, zei demissionair premier Rutte tegen zijn Hongaarse ambtsgenoot Orbán.
  • Blinken (r) wordt verwelkomd door zijn Israëlische ambtsgenoot Gabi Ashkenazi

Betekenis, meervoud, verkleinwoord, uitspraak en vertalingen: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Voorbeeldzinnen: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).