De of het afstammelinge?

Het juiste lidwoord is:

de afstammelinge

  • Meervoud: de afstammelinges
  • Verkleinwoord: het afstammelingetje
Betekenis (familie) vrouwelijke bloedverwant in neerdalende lijn

Zo gebruik je afstammelinge

Met lidwoordde afstammelinge
Dit of dezedeze afstammelinge
Dat of diedie afstammelinge
Ons of onzeonze afstammelinge
Jouwjouw afstammelinge
Elk of elkeelke afstammelinge
Welk of welkewelke afstammelinge?
Met bijvoeglijk naamwoord (bijv. groot)een grote afstammelinge, de grote afstammelinge
Meervoudde afstammelinges, deze afstammelinges

Voorbeeldzinnen met afstammelinge

  • Zij was geen afstammelinge van de oudadellijke families en zelfs haar vrienden konden haar geen schoonheid noemen.
  • Gedurende drie dagen waande ik me het middelpunt van de attenties van een maskerdat ik voor een afstammelinge van de Tullia's of de Poppaea's hield …

Betekenis, meervoud, verkleinwoord, uitspraak en vertalingen: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Voorbeeldzinnen: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).