De of het achterbuur?

Het juiste lidwoord is:

de achterbuur

  • Meervoud: de achterburen
  • Verkleinwoord: het achterbuurtje
Betekenis persoon die in een huis woont waarvan het perceel grenst aan de achterzijde van het eigen perceel

Zo gebruik je achterbuur

Met lidwoordde achterbuur
Dit of dezedeze achterbuur
Dat of diedie achterbuur
Ons of onzeonze achterbuur
Jouwjouw achterbuur
Elk of elkeelke achterbuur
Welk of welkewelke achterbuur?
Met bijvoeglijk naamwoord (bijv. groot)een grote achterbuur, de grote achterbuur
Meervoudde achterburen, deze achterburen

Voorbeeldzinnen met achterbuur

  • Een Duitse boerenfamilie die - gescheiden door enkele akkers en een houtwal - de achterbuur vormt voor de inrichting, had bezwaar aangetekend tegen het uitbreidingsplan.
  • Aan dit stukje Hengelosestraat heeft hij het Leger des Heils als overbuur, Tactus Verslavingszorg als achterbuur en - als de gemeente haar zin krijgt - Tactus ook nog eens als naaste buur.

Betekenis, meervoud, verkleinwoord, uitspraak en vertalingen: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Voorbeeldzinnen: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).