De of het één?

Het juiste lidwoord is:

de één

  • Meervoud: de enen
  • Verkleinwoord: het eentje
Betekenis het getal 1

Zo gebruik je één

Met lidwoordde één
Dit of dezedeze één
Dat of diedie één
Ons of onzeonze één
Jouwjouw één
Elk of elkeelke één
Welk of welkewelke één?
Met bijvoeglijk naamwoord (bijv. groot)een grote één, de grote één
Meervoudde enen, deze enen

Voorbeeldzinnen met één

  • Geef ons één seconde.
  • Vandaag is het één september.
  • Drie bier een één tequila, graag!

Betekenis, meervoud, verkleinwoord, uitspraak en vertalingen: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Voorbeeldzinnen: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).