De of het vijftigplusser?

Het juiste lidwoord is:

de vijftigplusser

  • Meervoud: de vijftigplussers
  • Verkleinwoord: het vijftigplussertje
Betekenis iemand die ouder is dan 50 jaar

Zo gebruik je vijftigplusser

Met lidwoordde vijftigplusser
Dit of dezedeze vijftigplusser
Dat of diedie vijftigplusser
Ons of onzeonze vijftigplusser
Jouwjouw vijftigplusser
Elk of elkeelke vijftigplusser
Welk of welkewelke vijftigplusser?
Met bijvoeglijk naamwoord (bijv. groot)een grote vijftigplusser, de grote vijftigplusser
Meervoudde vijftigplussers, deze vijftigplussers

Voorbeeldzinnen met vijftigplusser

  • VVD en CDA willen dat er een ambachtsacademie komt waar werkloze vijftigplussers zich kunnen laten omscholen tot ambachtsman of -vrouw.
  • Daarbij gaat het bijvoorbeeld om mensen met een zwak immuunsysteem en zwangere vrouwen, vijftigplussers en mensen die in de zorg werken.

Betekenis, meervoud, verkleinwoord, uitspraak en vertalingen: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Voorbeeldzinnen: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).