De of het vakantievierder?

Het juiste lidwoord is:

de vakantievierder

  • Meervoud: de vakantievierders
Betekenis persoon die op vakantie is

Zo gebruik je vakantievierder

Met lidwoordde vakantievierder
Dit of dezedeze vakantievierder
Dat of diedie vakantievierder
Ons of onzeonze vakantievierder
Jouwjouw vakantievierder
Elk of elkeelke vakantievierder
Welk of welkewelke vakantievierder?
Met bijvoeglijk naamwoord (bijv. groot)een grote vakantievierder, de grote vakantievierder
Meervoudde vakantievierders, deze vakantievierders

Voorbeeldzinnen met vakantievierder

  • Een vakantievierder met hagelschade was een van de mensen die onterecht op de lijst belandden.
  • Zijn huid bruin getint, opgedaan als speciale gezant voor het Midden-Oosten (en als vakantievierder).

Betekenis, meervoud, verkleinwoord, uitspraak en vertalingen: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Voorbeeldzinnen: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).