De of het thuisspeler?

Het juiste lidwoord is:

de thuisspeler

  • Meervoud: de thuisspelers
Betekenis (sport) speler die speelt voor het eigen publiek

Zo gebruik je thuisspeler

Met lidwoordde thuisspeler
Dit of dezedeze thuisspeler
Dat of diedie thuisspeler
Ons of onzeonze thuisspeler
Jouwjouw thuisspeler
Elk of elkeelke thuisspeler
Welk of welkewelke thuisspeler?
Met bijvoeglijk naamwoord (bijv. groot)een grote thuisspeler, de grote thuisspeler
Meervoudde thuisspelers, deze thuisspelers

Voorbeeldzinnen met thuisspeler

  • De wedstrijdleiding zag er geen kwaad in dat de thuisspeler een filmpje maakte van de 'wave' die over de tribunes rolde.
  • De titelhouder van het Oostenrijkse graveltoernooi begon met een stroeve overwinning op thuisspeler Philipp Oswald (6-4, 3-6, 6-2).

Betekenis, meervoud, verkleinwoord, uitspraak en vertalingen: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Voorbeeldzinnen: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).