De of het sportmakker?

Het juiste lidwoord is:

de sportmakker

  • Meervoud: de sportmakkers
  • Verkleinwoord: het sportmakkertje
Betekenis (sport) vriend waarmee men samen een sport beoefent

Zo gebruik je sportmakker

Met lidwoordde sportmakker
Dit of dezedeze sportmakker
Dat of diedie sportmakker
Ons of onzeonze sportmakker
Jouwjouw sportmakker
Elk of elkeelke sportmakker
Welk of welkewelke sportmakker?
Met bijvoeglijk naamwoord (bijv. groot)een grote sportmakker, de grote sportmakker
Meervoudde sportmakkers, deze sportmakkers

Voorbeeldzinnen met sportmakker

  • Het was overduidelijk dat hij - net als wedstrijdrijder Hermans - de prestaties van Janna zeer bewonderde, hij noemde haar zelfs zijn 'beste sportmakker'.
  • Dat geldt ook voor mijn andere sportmakkers.'

Betekenis, meervoud, verkleinwoord, uitspraak en vertalingen: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Voorbeeldzinnen: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).