De of het roken?

Het juiste lidwoord is:

de roken

Zo gebruik je roken

Met lidwoordde roken
Dit of dezedeze roken
Dat of diedie roken
Ons of onzeonze roken
Jouwjouw roken
Elk of elkeelke roken
Welk of welkewelke roken?
Met bijvoeglijk naamwoord (bijv. groot)een grote roken, de grote roken

Voorbeeldzinnen met roken

  • Ik was aan het roken.
  • Tom is aan het roken.
  • Tom was aan het roken.

Woorden die eindigen op roken

gebroken | kettingroken

Bij samenstellingen bepaalt het laatste deel het lidwoord. Bekijk de regel

Betekenis, meervoud, verkleinwoord, uitspraak en vertalingen: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Voorbeeldzinnen: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).