De of het restschuld?

Het juiste lidwoord is:

de restschuld

  • Meervoud: de restschulden
Betekenis 1. schuld die overblijft als men een huis heeft verkocht en daarmee slechts een deel van de hypotheekschuld kan afbetalen 2. het nog niet afgeloste deel van een schuld

Zo gebruik je restschuld

Met lidwoordde restschuld
Dit of dezedeze restschuld
Dat of diedie restschuld
Ons of onzeonze restschuld
Jouwjouw restschuld
Elk of elkeelke restschuld
Welk of welkewelke restschuld?
Met bijvoeglijk naamwoord (bijv. groot)een grote restschuld, de grote restschuld
Meervoudde restschulden, deze restschulden

Voorbeeldzinnen met restschuld

  • Daarmee wilde de overheid voorkomen dat woningbezitters met een restschuld komen te zitten.
  • Het zijn voornamelijk deze jongere huishoudens die bij (gedwongen) verkoop van de woning het risico lopen met een restschuld te blijven zitten.

Betekenis, meervoud, verkleinwoord, uitspraak en vertalingen: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Voorbeeldzinnen: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).