De of het outdoorseizoen?

Het juiste lidwoord is:

het outdoorseizoen

  • Meervoud: de outdoorseizoenen
  • Verkleinwoord: het outdoorseizoentje
Betekenis (sport) periode van het jaar dat atletiekwedstrijden in de buitenlucht worden gehouden; de periode van 1 april tot 1 oktober

Zo gebruik je outdoorseizoen

Met lidwoordhet outdoorseizoen
Dit of dezedit outdoorseizoen
Dat of diedat outdoorseizoen
Ons of onzeons outdoorseizoen
Jouwjouw outdoorseizoen
Elk of elkeelk outdoorseizoen
Welk of welkewelk outdoorseizoen?
Met bijvoeglijk naamwoord (bijv. groot)een groot outdoorseizoen, het grote outdoorseizoen
Meervoudde outdoorseizoenen, deze outdoorseizoenen

Voorbeeldzinnen met outdoorseizoen

  • De Nederlandse handboogschutter wint de eerste wereldbekerwedstrijd van het outdoorseizoen en de eerste wereldbekerzege in zijn carrière. Met het team verloor Van den Berg de finale.
  • Vijf Nederlandse meerkampers die komende zomer in actie komen op de Olympisch Spelen in Rio de Janeiro begonnen zaterdag hun outdoorseizoen met de Ter Specke Bokaal in Lisse.

Betekenis, meervoud, verkleinwoord, uitspraak en vertalingen: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Voorbeeldzinnen: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).