De of het oud-bewoner?

Het juiste lidwoord is:

de oud-bewoner

  • Meervoud: de oud-bewoners
Betekenis iemand die in het verleden in een bepaald huis heeft gewoond maar nu niet meer

Zo gebruik je oud-bewoner

Met lidwoordde oud-bewoner
Dit of dezedeze oud-bewoner
Dat of diedie oud-bewoner
Ons of onzeonze oud-bewoner
Jouwjouw oud-bewoner
Elk of elkeelke oud-bewoner
Welk of welkewelke oud-bewoner?
Met bijvoeglijk naamwoord (bijv. groot)een grote oud-bewoner, de grote oud-bewoner
Meervoudde oud-bewoners, deze oud-bewoners

Voorbeeldzinnen met oud-bewoner

  • Een monument van ruim drie eeuwen oud, met meer dan 170 kamers en verschillende Oranjes als oud-bewoners volledig in kaart brengen.
  • Het was donker, de leegte van het nieuwe huis had iets hols en door de geest van een gruwelijk om het leven gebrachte oud-bewoner die stuurs zwijgend in en uit vloog kreeg het geheel bijna iets …

Betekenis, meervoud, verkleinwoord, uitspraak en vertalingen: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Voorbeeldzinnen: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).