De of het optieker?

Het juiste lidwoord is:

de optieker

  • Meervoud: de optiekers
Betekenis (beroep) iemand die brillen en contactlenzen verkoopt

Zo gebruik je optieker

Met lidwoordde optieker
Dit of dezedeze optieker
Dat of diedie optieker
Ons of onzeonze optieker
Jouwjouw optieker
Elk of elkeelke optieker
Welk of welkewelke optieker?
Met bijvoeglijk naamwoord (bijv. groot)een grote optieker, de grote optieker
Meervoudde optiekers, deze optiekers

Voorbeeldzinnen met optieker

  • De brillenactie die optieker Sarah Waldeck uit de Hoogstraat had opgezet voor weeskinderen uit Afrika is lichtjes uit zijn voegen gebarsten.

Betekenis, meervoud, verkleinwoord, uitspraak en vertalingen: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Voorbeeldzinnen: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).