De of het openingsspeech?

Het juiste lidwoord is:

de openingsspeech

  • Meervoud: de openingsspeeches
  • Verkleinwoord: het openingsspeechje
Betekenis toespraak die men houdt bij de start van iets

Zo gebruik je openingsspeech

Met lidwoordde openingsspeech
Dit of dezedeze openingsspeech
Dat of diedie openingsspeech
Ons of onzeonze openingsspeech
Jouwjouw openingsspeech
Elk of elkeelke openingsspeech
Welk of welkewelke openingsspeech?
Met bijvoeglijk naamwoord (bijv. groot)een grote openingsspeech, de grote openingsspeech
Meervoudde openingsspeeches, deze openingsspeeches

Voorbeeldzinnen met openingsspeech

  • Meester Kienholz zelf, toevallig in Amsterdam in verband met de restauratie van The Beanery, hield een uiterst ironische openingsspeech.
  • "Waar wachten we nog op?" concludeerde Koning Willem-Alexander retorisch in zijn openingsspeech.

Betekenis, meervoud, verkleinwoord, uitspraak en vertalingen: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Voorbeeldzinnen: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).