De of het oorlogsleider?

Het juiste lidwoord is:

de oorlogsleider

  • Meervoud: de oorlogsleiders
Betekenis leider van een land dat in oorlog is

Zo gebruik je oorlogsleider

Met lidwoordde oorlogsleider
Dit of dezedeze oorlogsleider
Dat of diedie oorlogsleider
Ons of onzeonze oorlogsleider
Jouwjouw oorlogsleider
Elk of elkeelke oorlogsleider
Welk of welkewelke oorlogsleider?
Met bijvoeglijk naamwoord (bijv. groot)een grote oorlogsleider, de grote oorlogsleider
Meervoudde oorlogsleiders, deze oorlogsleiders

Voorbeeldzinnen met oorlogsleider

  • Iedere heerser van Britannia, tot mijn vader Uther toe, heeft de titel gedragen die de Romeinen gaven aan een oorlogsleider onder een koningin: dux bellorum, oorlogsheer.
  • Na afloop stonden er in het huis, dat vroeger Ambrosius' hoofdkwartier was geweest, lekkernijen en wijn en er was veel ceremonieel toen Ambrosius' oorlogsleiders één voor één Uther trouw zwoeren.

Betekenis, meervoud, verkleinwoord, uitspraak en vertalingen: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Voorbeeldzinnen: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).