De of het nucleïnezuur?

Het juiste lidwoord is:

het nucleïnezuur

  • Meervoud: de nucleïnezuren
  • Verkleinwoord: het nucleïnezuurtje
Betekenis (biochemie) hoogmoleculair organisch zuur

Zo gebruik je nucleïnezuur

Met lidwoordhet nucleïnezuur
Dit of dezedit nucleïnezuur
Dat of diedat nucleïnezuur
Ons of onzeons nucleïnezuur
Jouwjouw nucleïnezuur
Elk of elkeelk nucleïnezuur
Welk of welkewelk nucleïnezuur?
Met bijvoeglijk naamwoord (bijv. groot)een groot nucleïnezuur, het grote nucleïnezuur
Meervoudde nucleïnezuren, deze nucleïnezuren

Woorden die eindigen op nucleïnezuur

ribonucleïnezuur | desoxyribonucleïnezuur

Bij samenstellingen bepaalt het laatste deel het lidwoord. Bekijk de regel

Betekenis, meervoud, verkleinwoord, uitspraak en vertalingen: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Voorbeeldzinnen: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).