De of het naamkaart?

Het juiste lidwoord is:

de naamkaart

  • Meervoud: de naamkaarten
  • Verkleinwoord: het naamkaartje
Betekenis klein papieren, kartonnen of plastic kaartje waarop iemands naam (en vaak ook diens functie, adres en telefoonnummer) staat gedrukt

Zo gebruik je naamkaart

Met lidwoordde naamkaart
Dit of dezedeze naamkaart
Dat of diedie naamkaart
Ons of onzeonze naamkaart
Jouwjouw naamkaart
Elk of elkeelke naamkaart
Welk of welkewelke naamkaart?
Met bijvoeglijk naamwoord (bijv. groot)een grote naamkaart, de grote naamkaart
Meervoudde naamkaarten, deze naamkaarten

Voorbeeldzinnen met naamkaart

  • Niemand draagt een naamkaartje, dus is het gissen naar de functie: het zou een psycholoog kunnen zijn, een speltherapeut, een creatief therapeut, een sociaal-pedagogisch hulpverlener …
  • Het lichaam werd in een lijkenhuis nabij de Ntre Dame opgebaard, maar het zou nog enkele dagen duren voor het naamkaartje kon worden ingevuld.

Betekenis, meervoud, verkleinwoord, uitspraak en vertalingen: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Voorbeeldzinnen: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).