De of het moteldeur?

Het juiste lidwoord is:

de moteldeur

  • Meervoud: de moteldeuren
  • Verkleinwoord: het moteldeurtje
Betekenis de deur die van een motelkamer leidt naar buiten (waar de auto geparkeerd staat)

Zo gebruik je moteldeur

Met lidwoordde moteldeur
Dit of dezedeze moteldeur
Dat of diedie moteldeur
Ons of onzeonze moteldeur
Jouwjouw moteldeur
Elk of elkeelke moteldeur
Welk of welkewelke moteldeur?
Met bijvoeglijk naamwoord (bijv. groot)een grote moteldeur, de grote moteldeur
Meervoudde moteldeuren, deze moteldeuren

Voorbeeldzinnen met moteldeur

  • Opgelucht trok ik de volgende ochtend de moteldeur achter me dicht, de frisse lucht in, met mijn rugzak vol eten voor de komende zes dagen.

Betekenis, meervoud, verkleinwoord, uitspraak en vertalingen: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Voorbeeldzinnen: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).