De of het mondspiegel?

Het juiste lidwoord is:

de mondspiegel

  • Meervoud: de mondspiegels
  • Verkleinwoord: het mondspiegeltje
Betekenis 1. (tandheelkunde) klein oppervlak dat het beeld weerkaatst, bevestigd aan een steel waarmee de tandarts tanden en kiezen kan inspecteren 2. (medisch) instrument dat de mond of bek openhoudt om de binnenkant ervan te bekijken

Zo gebruik je mondspiegel

Met lidwoordde mondspiegel
Dit of dezedeze mondspiegel
Dat of diedie mondspiegel
Ons of onzeonze mondspiegel
Jouwjouw mondspiegel
Elk of elkeelke mondspiegel
Welk of welkewelke mondspiegel?
Met bijvoeglijk naamwoord (bijv. groot)een grote mondspiegel, de grote mondspiegel
Meervoudde mondspiegels, deze mondspiegels

Voorbeeldzinnen met mondspiegel

  • Een patiënt vervoegde zich bij mij en was nauwelijks bij machte te spreken; een mondspiegel was nog in te brengen, maar meer ook niet.
  • Een bekend paardemiddel was het speculum oris (mondspiegel): een instrument dat tussen de tanden geperst werd en waarmee de mond letterlijk opengeschroefd kon worden.

Betekenis, meervoud, verkleinwoord, uitspraak en vertalingen: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Voorbeeldzinnen: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).