De of het magiër?

Het juiste lidwoord is:

de magiër

  • Meervoud: de magiërs
Betekenis 1. oosterse wijze, uitlegger van de astrologie en dromen, priester bij de Meden en de Perzen 2. (magie) tovenaar

Zo gebruik je magiër

Met lidwoordde magiër
Dit of dezedeze magiër
Dat of diedie magiër
Ons of onzeonze magiër
Jouwjouw magiër
Elk of elkeelke magiër
Welk of welkewelke magiër?
Met bijvoeglijk naamwoord (bijv. groot)een grote magiër, de grote magiër
Meervoudde magiërs, deze magiërs

Voorbeeldzinnen met magiër

  • Ze staarden met zijn allen naar de bewegingen van de magiër.
  • Tom speelt meestal als een schurk. Dit is de eerste keer dat hij als een magiër speelt.

Betekenis, meervoud, verkleinwoord, uitspraak en vertalingen: WikiWoordenboek (CC BY-SA 4.0). Voorbeeldzinnen: Tatoeba (CC BY 2.0 FR).